Aansprakelijkheid Dieren

25 februari 2016

Aansprakelijkheid van medebezitter van dieren gaat minder ver dan aansprakelijkheid van medebezitter van een opstal

De Hoge Raad heeft in het zogenaamde Hangmat-arrest van 8 oktober 2010 geoordeeld dat medebezitters van een opstal elkaar aansprakelijk kunnen stellen, indien één van de bezitters door deze opstal schade lijdt. In de praktijk leefde de vraag of dit ook geldt voor meerdere bezitters van een dier. Op 29 januari 2016 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat dat niet zo is.

Op grond van de wet is een bezitter van een gebrekkige opstal (onroerende zaak) aansprakelijk voor schade die door dat gebrek wordt veroorzaakt aan anderen.

In het Hangmat-arrest uit 2010 ging het om een vrouw, die zwaar gewond raakte doordat een pilaar, waaraan haar hangmat hing, instortte. De pilaar was gezamenlijk eigendom van de vrouw en haar man, die samen eigenaar waren van de woning waar de pilaar toe behoorde. De Hoge Raad oordeelde in dit arrest dat de medebezitter van een gebrekkige opstal de andere medebezitter(s) aansprakelijk kan stellen voor de schade die hij lijdt als gevolg van dat gebrek, met dien verstande dat de benadeelde medebezitter zelf dat gedeelte van de door hem geleden schade draagt dat overeenkomt met zijn aandeel in de opstal. De vrouw kon dus de helft van haar schade verhalen op de opstalverzekering van de woning. De andere helft kwam voor haar eigen rekening.

Een ander voorbeeld: als er drie eigenaren zijn van de opstal en één persoon lijdt schade door het instorten van die opstal, dan zijn de andere twee eigenaren samen verantwoordelijk voor 67% van de schade van de schadelijder.

In de praktijk speelde de vraag of deze vergaande oprekking van de aansprakelijkheid ook zou gelden voor bijvoorbeeld de beet van een gezamenlijke hond of de trap van een gezamenlijk paard. De bezitter van een dier is namelijk op basis van een soortgelijke wetsbepaling aansprakelijk voor de schade die een dier aanricht. In de wetsgeschiedenis was er geen antwoord te vinden op deze vraag.

Op 29 januari 2016 heeft de Hoge Raad echter duidelijkheid gegeven in deze kwestie. De Hoge Raad constateert dat het risico op schade ten gevolge van een verborgen gebrek aan een opstal niet kan worden aangemerkt als een voor een potentieel slachtoffer bekend risico. Daarbij speelt ook mee dat de kans op zodanige schade in het algemeen gering is. Daarom is het niet gebruikelijk om voor zo’n risico een aparte verzekering af te sluiten, terwijl de gevolgen voor een slachtoffer wel ernstig kunnen zijn. Het ligt dus voor de hand om hier de opstalverzekering voor aan te spreken.

Bij een dier ligt het anders. De Hoge Raad stelt vast dat de bezitter van een dier redenen heeft voor het houden van zo’n dier of wel omwille van economisch nut of wel omwille van eigen genoegen. Men weet dus dat er daarmee voor derden gevaar is in verband met de onberekenbare krachten die de eigen energie van het dier als levend wezen oplevert. Het houden van zo’n dier levert dus automatisch een risico voor derden op. “Van de medebezitter die door toedoen van een dier schade lijdt, kan worden gezegd dat hij ook voor zichzelf een gevaar in het leven heeft geroepen of in stand heeft gehouden waarvan hij wordt geacht zich bewust te zijn.”, aldus de Hoge Raad in overweging 3.6.2. van het arrest.

Daarmee is duidelijk dat de bezitter zich bewust is van risico’s ook voor zichzelf en zich dus dient te verzekeren tegen het risico van eigen schade ten gevolge van de eigen energie van het dier. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een ongevallenverzekering.

De Hoge Raad wijst tenslotte de aansprakelijkheid van de medebezitters onderling voor de schade, veroorzaakt door een “eigen” dier, af. De schadelijder kan zijn schade dus niet deels verhalen op de medebezitter(s), maar zal deze zelf moeten dragen.

Jan Lefers wijst er nog op dat er hiermee duidelijkheid is voor onroerende zaken en voor dieren, maar dat er nog een “gat” is in de jurisprudentie ten aanzien van de vraag hoe om te gaan met schade, veroorzaakt door gezamenlijke roerende zaken. Hier is formeel nog geen duidelijkheid over. Wellicht dat binnenkort ook hierover de Hoge Raad zich zal moeten buigen. Zoals zo vaak zal het afhangen van de omstandigheden van zo’n geval en zal er gekeken worden in hoeverre de bezitter bewust was of kon zijn voor eventuele risico’s voor zichzelf van deze roerende zaak.