Hoge Raad doet belangrijke uitspraak over buitengerechtelijke kosten

30 juni 2015

shutterstock_184287134

Op 13 maart 2015 heeft de Hoge Raad een belangrijke uitspraak gedaan voor de letselschadepraktijk: de buitengerechtelijke kosten van een slachtoffer dienen te worden vergoed, ook als uiteindelijk komt vast te staan dat er geen schade is geleden.
Wat zegt de Hoge Raad?
De Hoge Raad stelt nadrukkelijk vast dat voor vergoeding van kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in art. 6:96 lid 2, aanhef en sub b BW niet vereist is dat uiteindelijk komt vast te staan dat er schade is geleden. De Hoge Raad vernietigt daarmee het arrest van het Hof, dat eerder had geoordeeld dat er geen plaats was voor vergoeding van de kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, nu er in deze zaak geen schade is komen vast te staan.

De Hoge Raad zegt daarover het volgende:
“3.5. Volgens vaste rechtspraak is voor vergoeding van kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in art. 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW, vereist dat:
a. Condicio sine qua non-verband bestaat tussen de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis en de kosten;
b. De kosten in zodanig verband staan met die gebeurtenis dat zij, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, aan de aansprakelijke persoon kunnen worden toegerekend;
c. Het redelijk was om in verband met een onderzoek naar de mogelijke gevolgen van die gebeurtenis deskundige bijstand in te roepen; en
d. De daartoe gemaakte kosten redelijk zijn.
Voor vergoeding van de hier bedoelde kosten is echter niet vereist dat uiteindelijk komt vast te staan dat schade is geleden (vgl. HR 11 juli 2003, NJ 2005, 50).”
Voor degenen die het arrest willen lezen: HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:586.

Mening van Jan Lefers:
Jan Lefers wijst er daarbij op dat juist vaak verzekeraars met een beroep op de zogenaamde PIV-staffel betogen dat buitengerechtelijke kosten pas kunnen worden gehonoreerd door verzekeraars, als blijkt dat aan een slachtoffer een behoorlijke schadevergoeding wordt toegekend. De verzekeraars redeneren daarbij dat hoe hoger de schadevergoeding is, des te hoger de betaling van de buitengerechtelijke kosten mag zijn.

Dat dit niet redelijk is, blijkt uit bijvoorbeeld de situatie waarin na veel inspanning van de letselschadeadvocaat, samen met een arbeidsdeskundige en andere deskundigen, een slachtoffer succesvol wordt gere-integreerd in een ander beroep. Dan is de schade veel lager dan in een situatie dat een slachtoffer “achter de geraniums” gaat zitten. Jan Lefers vindt al langer dat in zo’n situatie als een slachtoffer ook gewoon gecompenseerd moet worden voor de buitengerechtelijke kosten, die hij in zo’n situatie maakt.

Bij het Symposion van de Vereniging van Letselschade Advocaten (LSA) in januari 2015 liet ook professor Lindenbergh zich al kritisch uit over deze PIV-staffel, mede gezien de in de letselschadebranche steeds meer opkomende tendens dat het slachtoffer centraal moet komen te staan en er gericht gewerkt moet worden aan zo veel mogelijk herstel van het slachtoffer in de oude staat. Daarbij gaat het niet om de vraag om de schade zo hoog mogelijk te maken, maar om een maatwerk oplossing voor elk slachtoffer.
Met dit arrest maakt de Hoge Raad nog maar weer eens duidelijk dat de omvang van de schadevergoeding slechts één van de factoren is die meegewogen moet worden bij de vraag of buitengerechtelijke kosten redelijk zijn. Veel meer blijkt hieruit dat per onderdeel van het proces van schaderegeling gekeken moet worden of de tot dat moment gemaakte kosten logischerwijs voortvloeien uit het ongeval dat het slachtoffer heeft doorgemaakt. En als dat zo is, heeft het slachtoffer recht op vergoeding van die kosten, zelfs als achteraf blijkt dat er helemaal geen schade is.