Hoge Raad schept verdere duidelijkheid over buitengerechtelijke kosten

23 juli 2019

Enige tijd terug bespraken wij al een uitspraak van de Hoge Raad over buitengerechtelijke kosten, te weten het arrest van 13 maart 2015[1]. Op 12 april 2019 heeft de Hoge Raad verdere duidelijkheid gegeven over deze kosten, die een letselschadeslachtoffer moet maken om zijn schadevergoeding te krijgen. De essentie van dit nieuwe arrest[2] is dat een slachtoffer ook recht kan hebben op vergoeding van buitengerechtelijke kosten voor werkzaamheden die zijn verricht tot het verkrijgen van een hogere schadevergoeding dan die, die het slachtoffer uiteindelijk heeft gekregen.

Uitgangspunt in het schadevergoedingsrecht is dat een slachtoffer recht heeft op compensatie van al zijn vermogensschade en compensatie van ander nadeel, zoals bijvoorbeeld smartengeld. Tot vermogensschade behoren geleden verlies, gederfde winst, maar ook de redelijke kosten ter vaststelling van de schade, aansprakelijkheid en redelijke kosten ter verkrijging van schadevergoeding buiten de rechter om.

Dit wil zeggen dat een slachtoffer dus een belangenbehartiger mag inschakelen, waarvan de kosten dan door de aansprakelijke partij bovenop de aan het slachtoffer toekomende schadevergoeding worden betaald.

In de praktijk zien wij nog wel eens dat een verzekeraar niet wil kijken naar de redelijkheid van de verrichte werkzaamheden, maar aanhaakt bij een staffel: de zogenaamde PIV-staffel, waarin een directe koppeling wordt gelegd tussen de omvang van de schade en de compensatie voor de buitengerechtelijke werkzaamheden. Omdat deze staffel bij een (iets) hogere schadevergoeding nauwelijks leidt tot een hogere vergoeding, zien wij in de praktijk vaak dat een belangenbehartiger die via dit systeem werkt niet zijn uiterste best doet om het maximale voor een slachtoffer er uit te halen. Regelmatig zien wij dossiers, waarin bureaus die via dit systeem werken, te kort door de bocht een schade regelen, waardoor het slachtoffer achteraf met de kater blijft zitten.

Gecertificeerde letselschadeadvocaten, lid van de LSA en de ASP, mogen niet volgens deze PIV-staffel werken. Een verzekeraar geeft soms aan dat een slachtoffer, dat extra kosten maakt om zijn schade te verhalen, geen recht heeft op vergoeding van deze schade indien achteraf blijkt dat de schadevergoeding niet omhoog is gegaan na een duurder en langer onderzoek. Zo’n verzekeraar gaat naar onze mening dan voorbij aan het beginsel, dat een slachtoffer recht heeft op vergoeding van al zijn/haar schade en dat er dus soms werkzaamheden moeten worden verricht, die met de wijsheid achteraf niet tot een hogere schadevergoeding hebben geleid.

De Hoge Raad had in zijn arrest van 13 maart 2015 al duidelijk op de rij gezet dat de omvang van de schade niet doorslaggevend is bij de redelijkheid van de omvang van de buitengerechtelijke kosten. In die casus ging het om een schadeclaim, die achteraf op nihil werd gesteld, maar waarbij wel de buitengerechtelijke kosten van € 400.000,00 als redelijk werden beschouwd.

In de casus die leidde tot het arrest van 12 april 2019 ging het om een ander deelaspect. Het slachtoffer betoogde dat Dexia hem moest compenseren voor al zijn buitengerechtelijke kosten, dus ook voor de kosten die waren gemaakt ter verkrijging van een hogere vergoeding dan die waarop het slachtoffer achteraf recht bleek te hebben.
Het Gerechtshof wees deze claim af, stellende dat het slachtoffer geen aanspraak had op vergoeding van deze kosten, nu deze buitengerechtelijke werkzaamheden waren verricht met het oog op het verkrijgen van een hogere vergoeding dan waarop hij recht had. Het slachtoffer was het hiermee niet eens en legde o.a. dit aspect voor aan de Hoge Raad.

De Hoge Raad stelde voorop in 4.4.3 van dit arrest wat in het arrest van 13 maart 2015 al was aangegeven. Voor de vergoeding van buitenrechtelijke kosten is vereist dat:

  1. a) condicio sine qua non-verband bestaat tussen de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis en de kosten;

(b) de kosten in zodanig verband staan met die gebeurtenis dat zij, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, aan de aansprakelijke persoon kunnen worden toegerekend;

(c) het redelijk was om in verband met een onderzoek naar de mogelijke gevolgen van die gebeurtenis deskundige bijstand in te roepen; en

  1. d) de daartoe gemaakte kosten redelijk zijn.

Voor vergoeding van de hier bedoelde kosten is dus niet vereist dat uiteindelijk komt vast te staan dat schade is geleden.

De Hoge Raad constateerde op 12 april 2019 dat er geen reden is om anders te oordelen in deze situatie:

“4.4.4 ( … ) Er zijn immers gevallen denkbaar waarin de benadeelde deze kosten als gevolg van de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis maakt in de redelijke veronderstelling dat hem in verband daarmee een bepaalde vordering toekomt. Ook als dat nadien niet of slechts tot een lager bedrag het geval blijkt te zijn, is het redelijk en past het in het stelsel van afdeling 6.1.10 BW dat hij deze kosten vergoed krijgt van de aansprakelijke persoon, mits is voldaan aan de hiervoor in 4.4.3 genoemde eisen.”

Het Hof had dus haar oordeel niet goed onderbouwd.

Waarom is dit arrest interessant?

Uit dit arrest blijkt naar onze mening des te meer, dat een slachtoffer er recht op heeft om goed onderzoek te laten doen naar de omvang van zijn schade. Als blijkt dat dit extra kosten met zich meebrengt, dient de verzekeraar deze kosten te voldoen, ook als achteraf blijkt dat die kosten niet tot een hogere schadevergoeding hebben geleid. Het is ook een extra argument tegen de starheid van de PIV-staffel, die met deze extra werkzaamheden geen rekening houdt en daarmee belangenbehartigers niet uitdaagt om een slachtoffer te bezorgen waar deze recht op heeft, te weten volledige schadevergoeding. Het is jammer dat hier vanuit de overheid en bijvoorbeeld de Autoriteit Consument en Markt, die recent een klacht over de beperkende werking van de PIV-staffel niet in behandeling nam, niet meer oog voor is. Slachtoffers zullen dus zelf kritisch moeten zijn naar hun belangenbehartiger en bij twijfel een gespecialiseerde LSA/ASP advocaat moeten raadplegen.

[1] HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:586
[2] HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590